170 Beeldkracht
Onder de bekendste Nederlandstalige gedichten zijn er opvallend veel die geschreven zijn in de ‘ik-vorm’, waarin de ‘ik’ niet veel anders doet dan beschrijven wat-ie in de omgeving ziet. Om daar dan vervolgens wat van te denken. En die gedachte met de lezer te delen. ‘Herinnering aan Holland’ van H. Marsman zit zo in elkaar. ‘Domweg gelukkig in de Dapperstraat’ van J.C. Bloem ook. En bij ‘Jonge sla’ van R. Kopland is dat niet anders. In deze oefening ga je zo’n gedicht maken. Je oefent het omzetten van je gedachten in een beeld. Maar krijgt er ook zicht op of, en hoe je je lezer in die gedachten mee zult kunnen krijgen.De dichters Marsman, Bloem en Kopland zullen niet met een schema gewerkt hebben zoals je hier ziet, maar we gaan het hier wel gebruiken om op te schrijven:
- ‘wat’ uit jouw omgeving je wilt beschrijven in het gedicht
- hoe je dat ‘wat’ ervaart
- waaraan je daardoor denkt als jij dat ‘wat’ ziet
- en waar het ‘wat’ dus voor jou voor staat.
Voor de gedichten van Marsman, Bloem en Kopland staat dat al opgeschreven in dit schema hieronder, de lege regel helemaal onderaan is voor jou.
- Vul de lege regel onderaan het schema in, waarbij je steeds heel goed kijkt wat per leeg hokje precies de bedoeling is (maak dus goed onderscheid tussen 1. wat je ziet, 2. wat je ervaart, 3. wat je denkt en en 4. waar wat je ziet dus voor staat)
| wat ik zie … | wat ik ervaar … | wat ik bedenk … | wat ik zie staat dus voor mij voor … |
| jonge sla in september (hier het gedicht) | verdriet | jonge sla in september is kwetsbaar vanwege de naderende winter | jong leven dat voortijdig eindigt |
| brede, traagstromende rivieren door het land lopen (hier het gedicht) | ontzag | hoe Nederland de kracht van water in banen leidt in rivieren | de strijd tegen water in Nederland |
| de Dapperstraat in Amsterdam (hier het gedicht) | geluk | het liefst leef ik in de stad | leven in zijn mooiste vorm |
In deze stap ga je kijken hoe goed je idee uit de vorige stap (=alles wat je opschreef in de lege regel) bruikbaar is om er een gedicht mee te schrijven. Een soort stress-test voor je idee dus.
Daarvoor ga je een stress-test uitvoeren voor ‘Herinnering aan Holland’ van Marsman: hoe goed is het Marsman gelukt iets te beschrijven wat hij ziet, en lezers naar zijn gedachte daarover te leiden?
We geven eerst een voorbeeld van een stress-test voor ‘Jonge sla’ van Rutger Kopland. Hij schreef dat gedicht in 1969, toen hij zelf 35 was en een jonge vriend van hem overleed. De ‘ik’ in ‘Jonge sla’ beschrijft er geen probleem mee te hebben dat in de natuur dingen aan hun einde komen. Zelfs niet als hij ze zelf aan hun eind moet brengen. Hij kan het aanzien dat bonen verdorren, en als hij aardappels moet rooien, is dat ook geen probleem.
Maar jonge sla in september, daar kan hij niet naar kijken:
Alles kan ik verdragen,
het verdorren van bonen,
stervende bloemen, het hoekje
aardappelen, kan ik met droge ogen
zien rooien, daar ben ik
werkelijk hard in.Maar jonge sla in september,
net geplant, slap nog,
in vochtige bedjes, nee.
In 1969 zal de lezer dit gesnapt hebben: jonge sla heeft in september geen kans te groeien. Maar op dit moment is het planten van jonge sla in september best mogelijk. Het is de afgelopen eeuw gemiddeld steeds warmer geworden in Nederland, en daarmee is het oogsten van sla in september of zelfs november een optie. We zeggen dat met enige voorzichtigheid, want we deden maar een kleine enquête waarop 30 mensen reageerden die nog tot in november daadwerkelijk sla oogsten. Voorzichtig zijn we ook omdat één deelnemer schreef: “Dit gedicht kwam laatst voorbij en mijn vriend kende het niet. Hij reageerde heel verbaasd: wie zou er ook jonge sla in september planten?! Ik heb dat gedaan in de moestuin, maar de plantjes zijn wel heel klein gebleven hoor, niet écht oogstwaardig (hoewel ze eergister nog fier overeind stonden, dus niet kapot-gevroren).”
In het geval van Marsman kunnen we ons op betere gegevens baseren om de stress-test uit te voeren.
- lees dit artikel van Arjen van Veelen, en dan met name deze passage:
De beroemdste dichtregel van Nederland gaat over brede rivieren die traag stromen door oneindig laagland. Hendrik Marsman publiceerde ‘Herinnering aan Holland’ in 1936. En inderdaad is het een herinnering: óóit stroomde de rivier de Waal traag. Rivieren waren vlaktes, een soort sloom voorbijtrekkende meren. Nu kregen ze dijken en kribben die de stroom in een geul prikten. Sinds de ‘rivierverbetering’ in de negentiende eeuw is de stroomsnelheid ook bij ons bijna verdubbeld.
- Wat betekent de informastie die Van Veelen geeft over de stroomsnelheid van rivieren voor lezers die het gedicht van Marsman lezen? Wat zien ze aan de rivier die ze zelf kunnen zien, en wat vraagt Marsman ze te zien?
- Kijk nu naar je eigen idee: zou het voor elke lezer meteen helemaal duidelijk zijn wat jij ziet, en daarbij dan denkt?
- moet je in het gedicht iets opschrijven dat de lezer helpt die slag te maken? (Van Veelen is misschien wel geholpen te bedenken dat Marsman rivieren zag die veel sneller stroomden dan in het verleden omdat het gedicht van Marsman ‘Herinnering aan Holland’ heet).
- of je idee iets aanpassen?
- Schrijf nu je gedicht uit:
- in de ‘ik-vorm’
- over wat je ziet, wat je daardoor ervaart, en wat het jou en de lezer dus doet denken.
- Wil je nog wat hulp, volg dan naar deze masterklas van dichter Lucas Rijneveld.
- Nog even dit: het gedicht wat je nu gaat maken hoeft niet te rijmen. Het is veel belangrijker om mooie woorden te bedenken voor wat je eerlijk wilt zeggen, dan dat je gaat knutselen op eindrijm.
- Als je een versie af hebt, kun je die aan je medeleerlingen geven voor wat commentaar, en dan kun je wellicht nog een betere versie maken.
Je kunt je lezer naar een bepaalde lezing van je gedicht leiden door in het gedicht zelf dingen op te schrijven, maar het kan ook helpen dat je gedicht ergens in je omgeving wordt opgeschreven – op een gebouw, of een boom, of een brug. In dat geval helpt de omgeving de lezer het gedicht te lezen.
- Kijk wat rond op de website Straatpoëzie waar je allemaal voorbeelden vindt van gedichten die ergens op geschreven zijn.
- Kun je een plek in je omgeving bedenken waar jouw gedicht zou kunnen staan en waar de lezer geholpen wordt door de plek waar het staat?
- Arjen van Veelen, Op bedevaart naar de Lorelei: obstakel in een jakkerende wereld – NRC
- J.C. Bloem, ‘Domweg gelukkig in de Dapperstraat‘
- Hendrik Marsman, ‘Herinnering aan Holland‘.
- Rutger Kopland, ‘Jonge sla‘
- Kila van der Starre, Straatpoëzie.


