172 Openingszin

Op de openingszin van hun boek doen schrijvers ontzettend hun best. Die zin moet de lezer meteen pakken. Iets weggeven over de hoofdpersonen, de afloop van het verhaal, maar ook weer niet alles.

In deze oefeningen kies je een openingszin van een Nederlandstalig boek dat je niet zelf gelezen hebt. Je schrijft op waar denk je dat het boek over zal gaan, gezien die openingszin.

Daarna krijg je een korte samenvatting van het boek. Klopt die met wat jij van de openingszin maakte? Of kwam je met je eigen verbeelding misschien wel op een nog mooier verhaal dan de schrijver?

In het Nederlands bestaat de uitdrukking “tot de verbeelding spreken”. Die gebruiken we als wat iemand zegt, of schrijft meteen allerlei beelden bij je oproept.  En dus je verbeeldingskracht aan het werk zet.

  • Hieronder zie je een rijtje met openingszinnen. Kies hieruit de zin die het meest tot jouw verbeelding spreekt: bij welke zin zie je meteen al een beetje voor je waar dit boek over zal gaan?
  • Kies in een zin uit een boek dat je nog niet gelezen hebt. Als je aarzelt of je de zin herkent omdat je het boek misschien al las, kun je hier checken uit welk boek de openingszin komt. Mocht je het boek al kennen, kies dan een andere zin.

 

  • Nina had nog nooit eerder iets gestolen, zeker niet van haar vader.

  • Het is een warm voorjaar, in de klas bidden ze voor me omdat ik al meer dan tweehonderd dagen van de wereld ben.

  • Lezer, ik wilde dit verhaal niet vertellen.

  • Mijn broer had nog gezongen op de avond dat hij iemand doodsloeg.

  • Was ik maar met de stroom meegegaan, dan was me dit niet overkomen, dan was ik niet verworden tot een verschoppeling.

  • Hun moeder verliet hun moeder op de dag dat de nieuwe keuken arriveerde.

  • Mijn nachten waren langer dan mijn dagen want ’s nachts was ik alleen.

  • Stefan de Graaf kwam juist op tijd om de hoek van het parkeerterrein achter de Nico de Witt-supermarkt gerend om te zien hoe Katharina van Wijler werd overreden door een antiek draaiorgel.

Verbeelden is iets zien, wat je niet met je eigen ogen ziet. Wat je niet waarneemt als je om je heen kijkt, maar er in jouw hoofd wél is. Taal kan verbeelden in gang zetten. Stel, je leest hier het woord ‘man’. Dan krijg je daar een beeld bij.

  • Schrijf dat beeld maar eens in een paar woorden op.
  • Vergelijk jouw woorden met die van een medeleerling. Zijn ze hetzelfde, of anders?

Of jouw woorden nu gelijk zijn aan die van jouw medeleerling, of anders: jullie zullen allebei woorden hebben gekozen die te maken hebben met mannen die je wel eens in het echt gezien hebt. Want verbeelden doe je altijd op basis van kennis over de taal – jullie weten als leerlingen allemaal ongeveer wat ‘man’ betekent. En op basis van kennis over de werkelijkheid – jullie hebben allemaal wel eens een man gezien. Die kennis + jouw verbeelding zorgen samen voor de woorden die je opschreef bij ‘man’.

Het verbeelden van taal is dus iets anders dan fantaseren. Want je leest eerst wel goed wat er staat, denkt aan de betekenis van het woord en aan wat je weet uit de werkelijkheid. En vindt dan een beeld.

Goed lezen wat er staat, en dus je verbeelding maximaal laten aansturen door wat je leest, kun je leren door deze drie vragen te stellen bij wat je leest:

  • Wat staat er?
  • Hoe staat het er?
  • Waarom staat het er zo, volgens mij?

Die drie vragen samen doen je verder kijken dan wat er staat, en dat helpt je verbeelding.

  • Lees nu deze openingszin:

Behalve de man die de Sarphatistraat de mooiste plek van Europa vond, heb ik nooit een wonderlijker kerel gekend dan den uitvreter.

  • Zoek eventueel woorden op in deze zin die je niet kent (maar alleen in een woordenboek, als je meteen gaat Googlen of iets dergelijks, vind je veel meer dan alleen de betekenis van woorden).
  • Tip: met de Sarphatistraat wordt hier de Sarphatistraat in Amsterdam bedoeld.
  • Gebruik die drie vragen (wat staat er, hoe staat het er, en waarom staat het er zo?) om de diepte in te gaan.
    • Waarom zegt de ‘ik’ hier ‘heb … gekend’?
    • Waarom gaat het eerst over een ‘man’ die de Sarphatistraat kennelijk heel mooi vindt en dan over een ‘kerel’ die wonderlijk is?  Wat zegt dat over de ‘man’ en de ‘kerel’? En over de ‘ik’? En de band tussen hun drieën?
    • Waarom staat er ‘Europa’ genoemd, en niet bijvoorbeeld ‘de wereld’, of ‘Nederland’? Wat denk je daardoor naar de ‘man’
    • Etc. etc.
  • Schrijf in een paar zinnen op waar je denkt dat het verhaal over gaat waar dit de openingszin van is.
  • Vergelijk na afloop jouw zinnen met die van medeleerlingen. Ging jullie verbeelding dezelfde kant op, of niet?
  • Schrijf nu in een paar zinnen het verhaal op dat jouw openingszin jou doet verbeelden.
  • Maak gebruik van die drie vragen om je verbeeldingskracht goed op gang te brengen.
Zoek een nieuwe oefening
Neem contact met ons op